VPB voor gemeentelijke grond- en ontwikkelbedrijven

woensdag 11 februari 2015

De gemeentelijke grond-/ontwikkelbedrijven (hierna: grondbedrijven) zien de aangekondigde vennootschapsbelastingplicht voor overheidsbedrijven vanaf 1 januari 2016 met rasse schreden op zich afkomen. Met een geïnvesteerd vermogen in lopende en toekomstige grondexploitaties door gemeenten van € 11 miljard (gemeentelijke jaarrekeningen 2013) is daar een enorm belang mee gemoeid. Het belang is voor gemeenten wellicht nog groter als rekening wordt gehouden met investeringen in bijvoorbeeld geluidswallen die onder materiële vaste activa in jaarrekeningen zijn opgenomen. Ook de investeringen door gemeenten in pps-projecten die in aparte vennootschappen zijn ondergebracht, moeten bij het geïnvesteerd vermogen worden geteld.

Door dr.mr. J.M. van der Heijden RA, Belastingsdienst Utrecht, Vastgoedkenniscentrum

Fiscale belangen
Om zicht te krijgen op de gevolgen van de nieuwe belastingplicht voor gemeentelijke grondbedrijven, is het de vraag of het grondbedrijf in totaliteit of voor bepaalde delen er van in de belastingheffing wordt betrokken. In algemene zin geldt dat hét gemeentelijk grondbedrijf niet bestaat. De concrete situatie per grondbedrijf is uiteindelijk bepalend voor de invulling van de belastingplicht: het ene grondbedrijf is immers het andere niet.

Het materiële ondernemingsbegrip volgens de Wet op de Inkomstenbelasting 2001 is bepalend voor de reikwijdte van de nieuwe belastingplicht voor grondbedrijven. En hoewel de omschrijving van een onderneming helder is geformuleerd, levert toepassing in de praktijk veel discussies op. Leidt het aanhouden van gronden voor toekomstige gebiedsontwikkeling bijvoorbeeld tot belastingplicht? En hoe zit dat bij het beheer van erfpachtgronden? En als het beheer van gronden tijdelijk is? Start de belastingplicht altijd vanaf 1 januari 2016, of kan dat onder omstandigheden ook later zijn?

Binnen de reikwijdte van de nieuwe wet is het vervolgens de vraag hoe de belastingplicht voor grondbedrijven concreet uitwerkt. Oftewel, hoe moet de fiscale winst worden bepaald? Allereerst moet daarvoor de fiscale openingsbalans worden vastgesteld. De fiscale openingsbalans markeert het begin van het fiscale leven van het grondbedrijf. De vraag is dan welke balansposten daarop moeten en mogen worden opgenomen en voor welke waarde. Met name de fiscale verwerking van de lopende en toekomstige grondexploitaties zijn voor grondbedrijven relevant.

Nadat het fiscale startpunt is gedefinieerd, is het vervolgens de vraag hoe de winst fiscaal moet worden bepaald. Welke gevolgen zijn bijvoorbeeld verbonden aan het overdragen van activa binnen de gemeente? En hoe moeten kosten en opbrengsten in de tijd worden toegerekend? Wanneer moet  winst worden verantwoord op grondexploitaties? En is het daarvoor overigens relevant wat over winstverantwoording in de gemeentelijke jaarrekening is opgenomen? En als sprake is van een verlies, zijn de fiscale consequenties dan anders?
Het antwoord op deze en soortgelijke vragen kleuren de belastingplicht voor een gemeentelijk grondbedrijf verder in.

De Masterclass

Tijdens de masterclass Vennootschapsbelastingplicht voor gemeentelijke grond-/ontwikkelbedrijven staat de invulling van de nieuwe belastingplicht voor gemeentelijke grond-/ontwikkelbedrijven centraal. Op interactieve wijze worden de theoretische uitgangspunten vertaald naar de praktijk. Samen met vakgenoten krijgt u zicht op de actuele stand van zaken van de nieuwe belastingplicht. Met slimme tips en trucs krijgt u concrete handvatten voor de praktijk.

  • Interactief
  • Concrete voorbeelden (openingsbalans, taxatie.)
  • Delen van ervaringen
  • Slimme tips en trucs voor toepassing in de praktijk