Grondbeleid op de schop

dinsdag 25 november 2014

Het wetsvoorstel voor de Omgevingswet is bij de Tweede Kamer ingediend, en de Minister heeft in een Kamerbrief aangekondigd dat er een separaat wetgevingstraject zal komen voor het grondbeleid. In een wetsvoorstel met de werktitel Grond en Eigendom zal , zo is het voornemen, de langverwachte integrale herziening van de al uit 1850 stammende Onteigeningswet een plaats vinden, zal een knoop worden doorgehakt over behoud van het instrumentarium uit de Wet voorkeursrecht gemeenten, en zal – daartoe aangespoord door een in juli 2014 aangenomen Kamermotie – een begin worden gemaakt met een nieuw instrument van grondbeleid: stedelijke herverkaveling.

Door Jan Frans de Groot

De keuze om dit wetgevingstraject separaat te doorlopen, en om deze onderwerpen niet direct mee te nemen in het wetsvoorstel voor de nieuwe Omgevingswet, is verstandig. De Nederlandse parlementaire democratie heeft een historie op het – bij uitstek rechtspolitieke – terrein van het grondbeleid. In 1977 sneuvelde het Kabinet-Den Uyl over onenigheid over het vergoeden van gebruikswaarde of verkeerswaarde in het geval van onteigening. Indachtig de recente jurisprudentie van de Hoge Raad over dit thema – de onteigeningspraktijk zit thans hevig in zijn maag met de gevolgen van arresten uit 2010 en 2013 – is het niet ondenkbaar dat de wetgever hieromtrent snel een harde noot moet kraken. De keuze om tegelijk een geheel nieuw instrument van grondbeleid te introduceren, is een gewaagde. Stedelijke herverkaveling is op dit moment nog geen juridisch omlijnd begrip, en is als fenomeen nog niet onderworpen geweest aan diepgravende dogmatische beschouwingen. Het instrument wordt tot op heden met name vanuit de praktische kant, aangevoerd door het Kadaster, benaderd. De gewaagdheid betreft dan ook niet de vrijwillige herverkaveling in stedelijk gebied – dat is op dit moment al mogelijk. Een gedwongen variant van herverkaveling is gewaagder. Immers, hoe dit ook wordt ingekleed, in alle gevallen raakt men daarbij aan weerbarstige leerstukken zoals het recht op zelfrealisatie, eigendomsplanologie, en baatafroming. Leerstukken die daarmee ook de kern van onteigeningsrecht betreffen, en een bredere doorwerking hebben in het systeem van grondbeleid. Het is dus maar goed, dat ook dit experiment deel gaat uitmaken van de flankerende wetgevingsoperatie. Als het dan losbarst, wordt de kern van de nieuwe Omgevingswet daardoor niet geraakt.